Stel richtleeftijd in de pensioenregeling op AOW-leeftijd (en niet langer op 68).

Publicatiedatum: 23 maart 2026

De Wet toekomst pensioenen (Wtp) beoogt een pensioenstelsel dat eenvoudiger, transparanter en beter uitlegbaar is voor deelnemers. Toch blijft in veel pensioenregelingen een fundamentele bron van onduidelijkheid bestaan: de pensioenrichtleeftijd (vaak 68) wijkt af van de AOW leeftijd. Dat leidt niet alleen tot verwarring bij deelnemers, maar ook tot juridische en uitvoeringsrisico’s. De oplossing is helder: maak de pensioenrichtleeftijd gelijk aan de verschuivende AOW leeftijd. De uitvoerder die deze stap zet helpt sociale partners en zal dit ook consequent doorvertalen naar producten, life cycles en uitvoering.

Voor deelnemers is de AOW leeftijd hét maatschappelijke ijkpunt. Het is het moment waarop het basisinkomen uit de AOW start en waarop veel arbeidsrelaties feitelijk eindigen. Een afwijkende richtleeftijd in de aanvullende pensioenregeling – vaak nog vast op 68 jaar – creëert meerdere “pensioendata” naast elkaar: een AOW datum, een pensioenrichtdatum en soms een contractuele pensioendatum. Dat is slecht uitlegbaar en vergroot het risico op verkeerde verwachtingen, klachten en claims. Door de pensioenrichtleeftijd te koppelen aan de AOW leeftijd ontstaat één logisch en herkenbaar ankerpunt. Vanwege de Wet toekomst pensioenen is de pensioenrichtleeftijd in de aanvullende pensioenregeling irrelevant geworden.

ABP laat zien dat deze koppeling met de AOW goed mogelijk is. Zowel in de huidige regeling als onder de Wtp geldt dat de standaard pensioenleeftijd gelijk is aan de AOW leeftijd, waarbij de deelnemer in beginsel met pensioen gaat op het moment dat de AOW ingaat. Daarmee wordt reglementair gekozen voor duidelijkheid en consistentie richting deelnemers.

Die keuze en koppeling hebben een onvermijdelijk gevolg: de pensioenrichtdatum wordt dynamisch. En juist daar wringt het in de uitvoering. Veel pensioenproducten en life cycles zijn nog steeds ontworpen met een vaste afbouwleeftijd van 68 jaar. Het beleggingsrisico wordt dan automatisch afgebouwd richting die vaste leeftijd, ongeacht of de feitelijke pensioenrichtdatum later ligt. Als de AOW leeftijd stijgt, ontstaat zo een mismatch: deelnemers komen eerder dan nodig in een defensief beleggingsprofiel terecht, met potentieel lagere pensioenuitkomsten tot gevolg.

Het pleidooi is daarom tweedelig. Ten eerste: koppel de pensioenrichtleeftijd expliciet aan de AOW leeftijd om duidelijkheid te bieden en risico’s te beperken. Ten tweede: pas producten, life cycles en uitvoering hier technisch op aan. Dat betekent dat de afbouw in de life cycle mee moet schuiven met de geldende AOW leeftijd van de deelnemer. Dit vergt aanpassingen in productontwerp, beleggingsbeleid en IT systemen, maar is noodzakelijk om de gekozen systematiek ook inhoudelijk waar te maken.

De Wtp vraagt niet alleen om nieuwe regels op papier, maar om consistentie tussen regeling, belegging en uitvoering. De uitvoerder die kiest voor de AOW leeftijd als pensioenrichtleeftijd, moet die keuze volledig doortrekken. Alleen dan ontstaat een samenhangend, uitlegbaar en toekomstbestendig pensioen voor deelnemers.

Meer informatie en contact
Jan-Olivier Kuijkhoven
partner