Aan tafel! Het zoet uit het Pensioenakkoord wordt opgediend!

Op 18 november 2019 is een conceptwetsvoorstel verschenen dat voortvloeit uit het Pensioenakkoord. Het conceptwetsvoorstel regelt de afkoop van 10% van het pensioen op de pensioendatum, een tijdelijke vrijstelling van de 52% RVU-heffing voor werkgevers en een uitbreiding van verlofsparen van 50 naar 100 volle weken. Net voor Sinterklaas strooit het kabinet zoete maatregelen. Wat houden de maatregelen precies in, hoe zoet is dit lekkers en wanneer wordt het precies opgediend? 

Inleiding

Het conceptwetsvoorstel van 18 november betreft een internetconsultatie en is een bescheiden deel van het totale Pensioenakkoord. Het belangrijkste onderdeel van het Pensioenakkoord is immers de aangekondigde herziening van ons tweede pijlersysteem. Over de uitwerking van deze herziening is de stuurgroep nog in conclaaf. Het voorliggende conceptwetsvoorstel gaat over minder ingrijpende voorstellen, maar kan niet geheel los worden gezien van het nieuwe pensioenstelsel, waarvoor in de loop van 2020 wetsvoorstellen worden verwacht.

Maatregel 1: afkoop 10% pensioen en lijfrente

De eerste voorgestelde maatregel is de plicht van iedere pensioenuitvoerder in Nederland om op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen mee te werken aan een verzoek tot afkoop van maximaal 10% van de waarde van het ouderdomspensioen in de tweede pijler. Voorwaarde is dat de gerechtigde tot het pensioen geen gebruik maakt van het wettelijk recht pensioen te laten variëren (in de verhouding 100:75, zogenaamde hoog-laag constructie). Daarnaast wordt de voorwaarde gesteld dat het resterend pensioen vanwege de afkoop niet onder de grenzen mag komen van het zogenaamd kleine pensioen (uitkering van € 484 per jaar in 2019). Er hoeft in het geval van pensioenfondsen geen rekening gehouden te worden met de dekkingsgraad; de nominale waarde van het pensioenrecht is het uitgangspunt. Het wetsvoorstel voorziet in een soortgelijke afkoopmaatregel ter zake lijfrente en fiscaal gefaciliteerd banksparen. De afkoopmogelijkheid moet ook gaan gelden voor het zogenaamde boventonse nettopensioen en de zogenaamde boventonse nettolijfrente. Er komt geen wettelijk bestedingsdoel.

Het wetsvoorstel definieert nog geen ingangsdatum voor de maatregel. Er zal mogelijk een koppeling komen met de wijziging van het pensioenstelsel. Komt dat er niet doorheen, dan is de afkoop van (maximaal) 10% mogelijk ook niet aan de orde.

Commentaar KWPS: een sigaar uit de eigen pensioendoos die alleen gerookt kan worden als de wettelijke variatiemogelijkheid 100:75 niet benut wordt. De algemene verwachting is dat met name werknemers met lagere pensioenen (mits hoger dan 110% van € 484) en een korte levensverwachting gebruik zullen gaan maken van de afkoopmogelijkheid, waarmee de overheid overigens belastingopbrengsten naar voren haalt. Ook kan de afkoop negatieve consequenties hebben voor toeslagen voor de werknemer. Al met al hebben wij onze bedenkingen bij dit voorstel. Er zijn andere maatregelen denkbaar die kunnen zorgen voor incidenteel benodigde financiële armslag.

Maatregel 2: verlofsparen van 50 naar 100 weken

Het tweede voorstel betreft een verhoging van de grens voor verlofsparen. Momenteel kan een werknemer die fulltime werkt een maximaal verlofspaarsaldo aanhouden bij zijn werkgever van 50 weken. Dit saldo mag voor iedere werknemer gaan groeien naar 100 weken. Dat is ongeveer het equivalent van twee jaarsalarissen. Als een inkomen van ongeveer 70% acceptabel is, betekent dit dat een werknemer met een dergelijk saldo ongeveer drie jaar eerder zou kunnen stoppen met werken. In het wetsvoorstel wordt expliciet aangegeven dat het verlofsaldo (zoals nu overigens ook het geval is) mag worden gebruikt om vervroegd te stoppen met werken. Een RVU is dan niet verschuldigd. Als een werkgever echter ineens extra verlofsaldo toekent met het oogmerk van vervroegd uittreden van de werknemer, dan kan dit zowel nu als straks een RVU betreffen, waardoor de werkgever wel degelijk 52% strafheffing is verschuldigd.

De maatregel wordt beoogd in werking te treden per 1 januari 2021 en lijkt niet afhankelijk van overige wetsvoorstellen die de komende jaren zullen volgen op basis van het Pensioenakkoord.

Commentaar KWPS: deze maatregel kan zorgen voor het uitstel van salaris en op deze manier bijdragen aan de flexibiliteit (deels) eerder uit te treden. Het is en blijft opletten geblazen verlofstuwmeren op te nemen indien een werknemer gebruik maakt van een zogenaamde seniorenregeling, omdat laatstgenoemde regeling dan als RVU kan kwalificeren.

Maatregel 3: tijdelijke drempelvrijstelling RVU van 3 keer € 21.200

De derde maatregel die wordt voorgesteld is een drempelvrijstelling voor de RVU. Alhoewel het wetsvoorstel verkeerd geformuleerd lijkt, moet uit de tekst en toelichting worden afgeleid dat voor ieder jaar (of deel daarvan) dat een werknemer eerder uittreedt dan diens AOW-leeftijd een vrijstelling geldt van € 21.200 bruto (of een deel daarvan in maanden afgerond als het geen vol jaar betreft). Voorwaarde is dat het vertrek c.q. de betaling niet eerder plaatsvindt dan 36 maanden voor de AOW-leeftijd. Het maximaal vrij te stellen bedrag is dus € 63.600 (op uitkeringen moet loonheffing worden ingehouden). Het bedrag zal worden gekoppeld aan de (netto) AOW. Eerder en/of meer uitkeren betekent dat het eerdere en/of meerdere wordt belast met de RVU-heffing van 52%, als althans sprake is van een RVU. Of daar sprake van is, dient onverminderd vastgesteld te worden op basis van de wet en de jurisprudentie. Het heeft er alle schijn van dat indien een eenmalige uitkering wordt gedaan voorafgaande aan de termijn van 36 maanden, de drempelvrijstelling in het geheel niet van toepassing is. In de toelichting op het wetsvoorstel wordt verder expliciet gezinspeeld op het onderbrengen van vertrekregelingen bij externe uitvoerders.

De maatregel is geregeld in de Wet op de loonbelasting 1964 en is generiek van aard. Het is dus niet zo dat er een beperking is tot bepaalde branches of beroepen.

In de toelichting op het voorstel wordt vermeld dat, om een beroep te kunnen doen op de drempelvrijstelling, dit geregistreerd moet worden door de werkgever in de aangifte. De Belastingdienst zal deze gegevens aan het UWV verstrekken zodat het UWV dit gegeven kan gebruiken in het kader van haar besluit om wel of geen uitkering te verstrekken op grond van de WW.

De maatregel wordt beoogd in te gaan per 1 januari 2021 en geldt volgens het voorstel voor vijf jaren. Ook deze maatregel lijkt dus in beginsel niet afhankelijk te zijn van het doorgaan van de andere maatregelen op basis van het Pensioenakkoord.

Commentaar KWPS: deze maatregel zorgt gedurende vijf jaren voor een mogelijkheid om werknemers eerder te kunnen laten uittreden, slijtend beroep of niet. De overheid wil aan het gebruik van de maatregel een administratieve verplichting koppelen, gebruikmaking van de regeling monitoren en zo misbruik van de WW tegengaan. Alhoewel wij dat begrijpen, zal dit remmend kunnen werken op het gebruik van de maatregel en/of tot een toename van het conflicten met het UWV leiden.

19 november 2019